Veel veehouders kijken bij aankoop vooral naar de gegarandeerde analyse (ruw eiwit, vet, vezel). Maar volgens onderzoek en praktijkervaringen kan een veelgebruikt ingrediënt in kalverstarter, melasse, grote variatie vertonen die je niet ziet op het etiket, en toch invloed hebben op de ontwikkeling van vaarzen.
Melasse is geen uniform product
Wat “melasse” heet, kan in werkelijkheid sterk verschillen. Palmonari et al. (2020) toonden dat sucrose in suikerrietmelasse varieerde van 39% tot 67% (op droge stof). Dat is niet triviaal: het kan het energieaanbod, de fermentatie en de pensontwikkeling bij jonge kalveren merkbaar beïnvloeden.
Waarom dat biologisch relevant is bij kalveren
Melasse verhoogt de smakelijkheid en stimuleert vroege opname van starter. Tegelijk levert het snel fermenteerbare suikers die de pensmicroben voeden. Die produceren VFA’s (vooral butyraat) die de groei van penspapillen stimuleren, cruciaal voor latere nutriëntenopname.
Als het suikergehalte van melasse schommelt, schommelt ook het fermenteerbare substraat, en dus potentieel de fermentatie-output in een kritische periode vóór spenen.
Riet versus biet: functioneel andere ingrediënten
Etiketten vermelden vaak enkel “melasse” of “melasseproducten”, zonder type. Nochtans verschillen suikerriet- en bietmelasse inhoudelijk:
• Ruw eiwit: bietmelasse gemiddeld hoger (±13,5%) dan riet (±6,7%).
• Suikerprofiel: riet bevat naast sucrose ook glucose/fructose (sneller fermenteerbaar); biet is bijna enkel sucrose (eerst splitsen).
• Kalium & DCAD: riet kan sterk variëren; biet is doorgaans voorspelbaarder.
Omdat melasse meestal maar 5–7% van de starter-DS is, geeft een wissel van type zelden op zichzelf “spectaculaire” prestatieverschillen in een goed geformuleerde starter. Het grotere praktijkpunt is consistentie: telkens hetzelfde type en een vergelijkbare samenstelling, batch na batch.
Mineralen/DCAD: waar subtiliteit telt
De studie vond bij rietmelasse een brede DCAD-range. Grote schommelingen kunnen bij kalveren sneller tot metabole stress leiden (minder buffercapaciteit dan volwassen koeien). Het gevolg dat je eerder ziet is niet meteen klinische acidose, maar variabele opname, wat doorwerkt naar groei en speenovergang.
Waar zie je dit op het bedrijf?
Typisch: Ze lijken niet echt ziek, maar de resultaten zijn minder constant.
Let op vroege indicatoren: opname-dips na nieuwe voerbatch, zachtere mest bij oudere groepen (5-7 weken), doffere vacht rond 60 dagen, hooibuik zonder framegroei, en een groeidip van 7-10 dagen bij spenen.
Waarom het blijft gebeuren
Commodity-ketens mengen batches in opslag/transport. Voerfabrieken testen niet altijd elke levering of houden geen gescheiden opslag voor strikt gespecificeerde bronnen. Sommige producenten kiezen daarom voor “fixed process assurance”: vaste formulatie, testen per levering, en niet sturen op laagste kost.
5 vragen aan je leverancier
1. Vaste formulatie of “least cost” die wisselt met marktprijzen?
2. Is de melasse cane, beet of blend, en blijft dat jaar-rond gelijk?
3. Wat is de minimum suikerspecificatie (bv. minimum TSI/sucrose)?
4. Testen jullie elke levering intern of enkel op certificaat?
5. Hoe bewaken jullie mineralen/DCAD specifiek voor kalvervoeders?
Praktische aanpak
• Log: leveringsdatum starter + opnamepatroon + mest/gezondheid + speengewicht.
• Bespreek met nutritionist/leverancier op basis van data.
• Vergelijk: test vaste formulatie op één groep (60–90 dagen) vs huidige.
• Evalueer totale kost: niet enkel €/ton, maar ook arbeid, voorspelbaarheid, groei en speenmoment.