Je ziet het vaak in de eerste dagen na het afkalven: een vaars met een harde, gespannen en gezwollen uier. Veel melkveehouders beschouwen uieroedeem nog altijd als iets dat “erbij hoort”, maar in werkelijkheid is het een belangrijk transitieprobleem met gevolgen voor gezondheid, melkproductie en levensduur van vaarzen.
Niet alleen omdat melken moeilijker en pijnlijker wordt, maar vooral omdat uieroedeem vaak de start vormt van een kettingreactie: meer stress, tragere melkafgifte, hoger risico op mastitis, meer kans op subklinische ketose en uiteindelijk vaarzen die sneller uitvallen dan verwacht.
Waarom uieroedeem bij vaarzen vaker voorkomt
Onderzoek (Morrison, JDS 2018) toont aan dat uieroedeem voorkomt bij een groot deel van de eerstekalfsdieren in de eerste weken na afkalven. Dat is niet verrassend: een vaars zit biologisch nog volop in ontwikkeling.
Ze moet:
• haar eigen groei verder afwerken,
• een eerste kalf dragen,
• én meteen starten in productie.
De doorbloeding en uierontwikkeling van vaarzen zijn bovendien minder robuust dan bij oudere koeien. Wanneer daarbovenop een droogstandsrantsoen gebruikt wordt dat vooral afgestemd is op oudere koeien, met een sterk negatieve DCAD of hogere zoutbelasting, stijgt het risico op zwelling aanzienlijk.
Waarom uieroedeem geld kost op melkveebedrijven
In 2026 wegen problemen bij vaarzen zwaarder door dan ooit. Goede vaarzen zijn duur, schaars en cruciaal voor de toekomst van het bedrijf.
De kosten van uieroedeem zitten niet alleen in mogelijke uitval. Vaak zie je ook:
• tragere melkbeurten
• meer behandelingen
• extra arbeid
• weggegooide melk
• en een moeilijkere opstart van de lactatie
Uieroedeem is dus zelden een “onschuldig” probleem.
Body condition bij vaarzen: te vet afkalven verhoogt het risico
Een van de belangrijkste risicofactoren blijft body condition score (BCS). Vaarzen die te vet afkalven, richting BCS 3,75 tot 4,0, hebben duidelijk meer kans op ernstige zwelling.
De ideale doelstelling ligt meestal rond:
• BCS 3,25 tot 3,5 bij afkalven.
Zo behoud je voldoende reserves zonder de transitie onnodig zwaar te maken.
Prefresh-rantsoen voor vaarzen aanpassen
Veel bedrijven voeren vaarzen exact hetzelfde rantsoen als oudere droge koeien. Toch ligt daar vaak een snelle winst.
Een apart prefresh-rantsoen voor vaarzen werkt meestal beter:
• lager in natrium en kalium
• neutraal tot licht negatief in DCAD
• minder agressief anionisch dan bij multiparen
Zelfs zonder extra mengwagen zijn hier vaak praktische oplossingen mogelijk, bijvoorbeeld door gerichter te voeren aan één voerpad of vrije zoutbronnen weg te halen uit de vaarsgroep.
Vitamine E en selenium tijdens de transitieperiode
Rond afkalven stijgt oxidatieve stress sterk. Een goede voorziening van vitamine E en selenium ondersteunt het weefselherstel en helpt de impact van zwelling beperken.
Veel premixen zijn al jaren ongewijzigd samengesteld, waardoor een controle van antioxidantvoorziening vaak zinvol is.
Wanneer wordt uieroedeem een structureel probleem?
Wil je weten of je moet ingrijpen? Hou het praktisch en eenvoudig.
Score gedurende enkele weken ongeveer 30 tot 40 verse vaarzen:
• 0 = geen zwelling
• 1 = mild
• 2–3 = duidelijk ernstig
Zie je:
• meer dan 60% met zwelling,
• én meer dan 15% ernstige gevallen,
dan wijst dit meestal op een structureel managementprobleem in transitie, rantsoen of body condition.
Uieroedeem voorkomen begint bij kleine aanpassingen
Het goede nieuws: je hoeft geen nieuwe stal te bouwen om verschil te maken. Op veel melkveebedrijven zit de grootste winst in kleine, consequente aanpassingen:
• betere BCS-opvolging
• een aangepast prefresh-rantsoen
• correcte mineralenvoorziening
• en gerichter management van vaarzen
Zo geef je vaarzen een vlottere start aan hun eerste lactatie én creëer je meer rust in de transitieperiode.